Message-in-a-bottle Glasbak

Uit: Hoe de zon gestrikt werd heeft De dwaze kanovaarders toegevoegd. Het is geschreven door Uitgave: Van Holkema & Warendorf, Novib.
De jonge mannen van het dorp wilden vechten. Ze hadden het plan opgevat om een ander eiland aan te vallen. Het dorpshoofd en zijn belangrijke krijgers zaten al uren te overleggen in het dorpshuis.
'Waarom zouden wij deze mensen aanvallen?' vroeg een van de oudere mannen. Hij was een ervaren krijger, dus iedereen wist dat hij deze vraag niet uit lafheid stelde.
'Ze hebben ons niets gedaan,' vervolgde hij. 'Bovendien kunnen ook onze krijgers worden gedood. Wie zegt ons dat de oorlogsgoden aan onze kant staan?'
'Je hebt gelijk,' zei het dorpshoofd, 'maar ik kan me voorstellen hoe de jonge mannen zich voelen. Ik ben ook ooit jong geweest en toen vond ik niets zo opwindend als me beschilderen met oorlogskleuren. Maar misschien moeten we ze toch tegenhouden. Het volk dat ze willen aanvallen bestaat uit dappere krijgers. Zelfs als de meeste van onze mannen veilig terugkeren zal er zowel gehuild als gelachen worden; gehuild om de doden en gelachen omdat we zo dom waren een oorlog te beginnen.'
'Als we 's nachts naar het eiland varen, kunnen we onze kano verstoppen en bij zonsopgang aanvallen,' bracht een jonge krijger in. 'Dan zal onze aanval een complete verrassing zijn.'
Een andere jongeman viel hem bij. 'En we kunnen een flinke buit in de wacht slepen; voedsel en wapens en kostbaarheden, en jonge vrouwen die de moeders van onze kinderen zullen worden.'
Er viel een stilte. Iedereen wachtte af wat het dorpshoofd zou zeggen. Lange tijd dacht hij na. Toen kwam hij overeind en stampte met zijn zware staf op de grond.
'Laat ons ten strijde trekken,' sprak hij op luide toon. ' We moeten hier niet als oude vrouwen blijven afwachten tot we zelf aangevallen worden. Het is maanden geleden dat onze jonge mannen hun vechtlust en kracht konden meten met die van de vijand. Bovendien, ik heb daar een vrouw gezien die ik wel als mijn twaalfde echtgenoot wil hebben.'
Een goedkeurend gemompel steeg op.
'Laten we morgen vertrekken, 'riep de jonge man.
'Nee,' antwoordde het dorpshoofd, 'niet morgen of overmorgen of de dag daarna. Krijgers die slecht voorbereid ten strijde trekken, zullen verslagen worden. Een gevecht win je niet alleen door te schreeuwen en met speren te zwaaien. Er moet nog veel gebeuren voordat we kunnen vertrekken.'

De volgende ochtend riep het hoofd de dorpsbewoners bijeen en deelde zijn plannen mee.
'Onze oorlogskano ligt al vele manen ongebruikt in het water,' zei hij. ' We moeten hem eerst opknappen. Dat zal de jonge mannen voorlopig bezighouden. Er is ook werk voor de vrouwen, want we moeten veel voedsel meenemen. Wie weet worden we onderweg door een storm overvallen en hebben we dagen nodig om terug te roeien. Zolang er genoeg voedsel en water is, zijn onze mannen sterk genoeg om met hun peddels de wind en de golven te bedwingen.'
Iedereen in het dorp kreeg het nu druk. De vrouwen kookten vis, taro en yam (eetbare knollen). Ook de kinderen hielpen mee. Ze vulden de kalebassen met fris drinkwater en klommen in palmbomen om de kokosnoten eruit te halen.
De jonge mannen haalden de oorlogskano uit het water. Er hadden takken en struiken overheen gelegen om de kano verborgen te houden. Het was een heel werk om hem schoon te maken. Ook kreeg de boot een nieuw dek zodat de krijgers stevig zouden staan tijdens gevechten van man tegen man. De houten onderkant werd met haaienolie ingewreven, zo zou de kano makkelijker door het water glijden.
Een paar jonge mannen schuurden de peddels met gebroken schelpen. Anderen repareerden de gaten in het zeil waar insecten zich te goed hadden gedaan aan de geweven stof.
Toen de boot helemaal klaar was, brachten de mannen hem naar de lagune en lieten het stenen anker zakken.
De kano lag trots te deinen in de branding alsof hij ernaar verlangde uit te varen. De boeg en achtersteven waren met paarlemoeren schelpen versierd en blonken als spiegels in de felle zon.

Die nacht stak een hevige storm op. Hoge golven sloegen tegen het rif. Een nevel van water joeg over de lagune en het strand.
'De kano!' schreeuwde iemand.
Iedereen rende naar het strand. De maan scheen door een gat in de wolken, zodat ze allemaal konden zien wat er aan de hand was. Het anker was losgeslagen. De kano was al een heel eind afgedreven in de richting van het rif. Daar zou de boot tegen de rotsen te pletter slaan.
'Snel, haal een touw,' riep het dorpshoofd. 'iemand moet met een touw naar de kano zwemmen, zodat we hem kunnen vastmaken.'
'Ik ga wel,' riep een jonge man.
Iemand kwam aanrennen met een dun koord.
'Dit touw is niet sterk genoeg.'
'Met een zwaarder touw lukt het je nooit om de kano te bereiken,' zei het dorpshoofd.
'Vlug, neem het uiteinde van dit koord. Als je bij de kano bent, haal je het koord in. Wij hebben er intussen een zwaarder touw aan vast gemaakt en met dat touw trek je de kano naar het strand. Mogen de zeegoden je bijstaan.'
De man bond het koord rond zijn middel en liep het water in. Op dat moment gleden de wolken voor de maan en de jonge man verdween uit het zicht.
'Het is een heel eind zwemmen in dit woeste water,' zei het dorpshoofd. 'Maar hij is sterk, hij haalt het wel. Als het koord strak staat, weten we dat onze man veilig aan boord van de kano is.'
De dorpelingen zagen niets dan witte golven die op de rotsen beukten. Ze hoorden het gebulder van het water dat op het strand sloeg en het geraas als het zich weer terugtrok. De wind huilde in hun oren en ze moesten schreeuwen om zich verstaanbaar te maken.
'Hij is er!' riep iemand. Het koord stond strak.
Het dorpshoofd zei: 'Hier is een stevig touw van boomvezels. Bind het ene eind aan het koord en het andere eind aan een grote boom.'
Toen de maan haar gezicht weer liet zien, zagen de dorpsbewoners hoe de jonge krijger het dikke touw naar zich toe haalde. Hun kano was gered.
De achtersteven werd aan een boom vastgebonden en de boeg lag weer vast aan het anker. De kano kon geen kant meer op.

In de ochtend ging de wind liggen en konden ze zich gereed maken voor vertrek. De manden met voedsel, de kokosnoten en de kalebassen werden met kleine kano's naar de oorlogsboot gevaren en aan boord gehesen.
De jonge mannen popelden om weg te gaan, maar het dorpshoofd herinnerde hen eraan dat ze moesten wachten tot de nacht inviel.
'Als we vannacht weggaan, zullen we het eiland in de ochtend bereiken, vlak voor zonsopgang,' zei hij. 'Dan hebben we genoeg tijd om de kano te verbergen. Daarna voeren we onze verrassingsaanval uit.'
De uren kropen traag voorbij, maar eindelijk werd het nacht. De krijgers zwommen naar de kano en namen hun plaatsen in. Het dorpshoofd stond in het midden en hief een lied aan. De peddels glansden in het maanlicht en doken precies gelijk het water in. Toen verdween de maan achter de wolken en je kon geen hand voor ogen meer zien.
Heel de lange donkere nacht klonk het gezang van de roeiers. Langzaam werd de lucht in het oosten lichter.
De mannen begonnen zich af te vragen waarom ze nog steeds geen land hadden bereikt. Maar even later riep de jongste krijger uit:
'We zijn er! Kijk, we zijn zonder het te merken in een opening in het rif geroeid. We zijn al in de lagune!'
'Vertrouwen jullie me niet? Ik weet altijd de weg te vinden, zelfs in de donkerste nacht, ' zei het dorpshoofd scherp.
Het werd lichter en ze zagen huizen aan de kust. Toen zei één van de roeiers op bange toon:
'O, chief! Dit is niet het dorp van onze vijanden. Dit is ons eigen dorp!'
Ongelovig keken ze om zich heen. Hij had gelijk. Ze waren nog steeds in hun eigen lagune. Daar was het rif, en de rotsen, en het zandstrand. En daar waren de vrouwen, kinderen en oude mannen die door de deuropeningen gluurden; ze waren bang dat een vreemde kano hen kwam aanvallen, net nu hun eigen krijgers wegvaren.
Niemand durfde iets te zeggen, totdat het dorpshoofd het woord nam.
'Het is tovenarij,' zei hij langzaam. Onze vijanden zijn achter onze plannen gekomen. Ik zal vandaag heel krachtige toverformules zingen en morgennacht zal het lukken.'

Opnieuw kroop de dag traag voorbij. Die nacht namen de mannen hun plaatsen weer in en staken de peddels in het water.
Het dorpshoofd was te moe om te zingen, maar een van de andere mannen nam het van hem over.
Toen het licht werd, keek de bemanning verbijsterd om zich heen. Voor de tweede keer waren ze vlak bij het strand van hun eigen eiland!
De stuurman kroop naar het dorpshoofd en fluisterde iets in zijn oor. De andere mannen vroegen zich af wat er aan de hand was.
Samen bogen de stuurman en het dorpshoofd zich over de achtersteven. Het dorpshoofd keek stomverbaasd. Toen gooide hij zijn hoofd in zijn nek en barstte in lachen uit.
De stuurman lachte met hem mee. Nieuwsgierig verlieten de krijgers een voor een hun plaatsen, bekeken de achtersteven en proestten het uit. Ze doken overboord en zwommen naar het strand. Daar vertelden ze hun dorpsgenoten wat ze hadden gezien. Al gauw stond iedereen hartelijk te lachen.

Natuurlijk, ze waren vergeten om het touw los te maken waarmee de kano aan de grote boom was vastgebonden!
'Nou ja,' zei het dorpshoofd, 'het is duidelijk niet de bedoeling dat we deze tocht ondernemen. We kunnen beter thuisblijven en vergeten hoe dwaas we zijn geweest.'
Iedereen was het met hem eens. De mannen voelden zich zo voor schut staan dat ze vanaf die tijd op hun eigen eiland bleven en in vrede leefden met de buren

Een verhaal uit de Grote Oceaan
Uit: Hoe de zon gestrikt werd (uitgave: Van Holkema & Warendolf, Novib)
Dat was beter dan vechten, zeg nou zelf!
(dinsdag 31 Maart 1998 om 16:11 uur )

StartTerug naar de beginpagina